donderdag 21 augustus 2008

De stripverhalen van Kinshasa

Diederik Claassen houdt op dit moment een fantastisch blog bij over zijn avonturen in China tijdens de Olympische Spelen. In zijn laatste bericht verwijst hij naar mijn verhaal "De stripverhalen van Kinshasa" dat ik in 1991 kort na een reis naar Zaïre schreef voor het blad Amamre. Dat kan natuurlijk niemand meer nalezen, daarom publiceer ik het nu maar, in een iets uitgebreidere versie, op mijn zwaar verwaarloosde Boekenblog.

De Boeing taxiet over N'Djili airport. Naast een aantal tamelijk bouwvallige hangars staat een klein toestel op een reparatie te wachten. Op de vleugels groeit gras.

Toch lijkt Kinshasa in eerste instantie op een zeer bedrijvige wereldstad. Het is zo'n 25 kilometer van het vliegveld naar het centrum. In beide rijrichtingen weven drie rijen wrakkige roestbakken een dicht rookgordijn over het asfalt. Als er strepen op de weg stonden, kon je zeggen dat er constant van rijbaan werd gewisseld, maar er zijn geen strepen. In elk geval wordt er links en rechts ingehaald. In de meeste auto's zitten ongelofelijke aantallen mensen: 40 personen in een Volkswagenbusje is heel normaal. Een verbijsterende bezienswaardigheid is de City Train: een Daf-truck waaraan bij wijze van oplegger een soort treincoupé is gekoppeld van zo'n 30 meter lang, met daarachter vaak nog een aanhangwagen. Er moeten honderden mensen in zitten. Aan iedere deur hangen nog zo'n tien tot twintig passagiers. Het gevaarte scheurt met een snelheid van 80 à 90 kilometer per uur naar de stad. Ik laat me vertellen dat tot enkele maanden geleden het dak ook altijd vol mensen zat. Dat vond men echter te gevaarlijk en daarom wordt nu iedere morgen olie op het dak gespoten zodat het te glad is om erop te klimmen.

Aan beide kanten van de weg loopt een onafzienbare brede stroom mensen. Onvoorstelbare aantallen die doen denken aan een massademonstratie, maar het zijn er veel meer, de stroom mensen is veel langer en ze lopen niet allemaal dezelfde kant op. Tussen de mensenmassa's staan om de paar honderd meter brede betonnen trappen die op een hoogte van zo'n 10 meter eindigen in het niets: de ruïnes van ingestorte voetbruggen. Dagelijks rennen honderdduizenden mensen voor hun leven om de overkant te bereiken.

Kinshasa is een stad die bedacht lijkt door een team perverse striptekenaars. Niets functioneert normaal. Op ieder plaatje in mijn geheugen staan bizarre gebeurtenissen gegrift. Kinshasa is een stad vol deplorabele krotten op een vuilnisbelt annex autokerkhof waar volgens de schattingen vijf miljoen mensen wonen. De vrije handelseconomie heeft er een puinhoop gecreëerd die nooit meer op te ruimen is. De infrastructuur is volledig kapot. Alleen door een enorm sociale instelling kan de bevolking enigszins overleven.

'n Begrafenis: een familie van zo'n 100 personen op de laadklep van een open vrachtauto om de kist. De vrachtwagen krijgt een lekke band. Ergens wordt een reservewiel geritseld. Met vereende krachten wordt de vrachtauto opgetild. De kist wordt onder de as geschoven en zo wordt het wiel verwisseld.

Slechts één verhaal krijgt enige internationale aandacht: de Conférence Nationale. Al maandenlang is deze conferentie uitgesteld en getraineerd door allerlei belanghebbende machthebbers, maar nu lijkt het er van te komen. Meer dan duizend vertegenwoordigers van alle bevolkingsgroepen zullen in een langdurige conferentie proberen overeenstemming te bereiken over de toekomst van het land. Het einde van het regime Mobutu lijkt in zicht. De stad gonst van de geruchten. Er schijnen al demonstraties geweest te zijn waarin Mobutu symbolisch ten grave werd gedragen, maar niemand kan vertellen waar en wanneer en niemand heeft het met eigen ogen gezien. Het is de vraag of de kist ooit het kerkhof zal bereiken, maar een ding is zeker: er heerst optimisme in alle lagen van de bevolking van Kinshasa.

Op de Marché des Valeurs vlakbij het meer dan chaotische spoorwegstation wordt allerlei Afrikaanse kunst verkocht. Schilderijen, houtsnijwerk, schaakspelen van malachiet, bronzen beeldjes gegoten van overbodig geworden muntgeld. Uiteraard worden in eerste instantie woekerprijzen gevraagd en moet er fors worden gepingeld. Iedereen loopt met enorme pakken bankbiljetten rond. In 1989 had 1 Amerikaanse dollar een waarde van ongeveer 200 Zaïres. Begin augustus van dit jaar kreeg je 15.000 Zaïres voor een dollar en de inflatie stijgt met de dag. De vraagprijs voor een beetje schilderij is een miljoen, maar als de prijs uiteindelijk afgemaakt wordt op 300.000 is de verkoper dik tevreden en de koper waarschijnlijk afgezet. De markt wordt door ingezetenen niet voor niets de Marché des Voleurs genoemd. Ik tel veertig bankbiljetten van 5000 en honderd biljetten van 1000 af. Coupures van 10.000 en 50.000 zijn schaars en grotere zijn er niet. De kunstenaar vertelt dat het gauw afgelopen zal zijn met dit waardeloze geld. Na de Conférence Nationale zal er nieuw waardevast geld worden ingevoerd, want de inflatie wordt alleen veroorzaakt door de corruptie, meent hij.

Op het station proberen we al enkele dagen een kaartje te kopen voor de trein naar Matadi. Dat is al een aangepast plan. Eigenlijk wilden met z’n vijven een binnenlandse vlucht naar Bukavu aan de grens met Ruanda boeken om daar een poging te wagen berggorilla’s te zien. Dat bleek op het boekingskantoor niet te regelen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, werd ons verteld dat het vliegtuig al enkele dagen kwijt was. Maar ook de treinreis wordt geen succes. Ook de trein is al een paar dagen niet meer aangekomen, maar vandaag hebben we geluk. Er komt nu echt een trein en het station loopt in de kortste keren vol met duizenden mensen. We kunnen zelfs een kaartje kopen voor een extra luxe toeristenrijtuig. Als de trein binnenkomt en de ergste veldslagen op het perron enigszins zijn geluwd gaat een stationsbeambte ons voor. In tegenstelling tot de andere rijtuigen blijken er in ons rijtuig twee banken te zitten en een gat in de vloer bij wijze van toilet. We besluiten dan toch maar in Kinshasa te blijven.

In de volkskroegen in de Cité is het deze week iedere nacht feest. Er wordt uitbundig gedanst op de swingende klanken van de OK Jazz Band en andere Afrikaanse groepen. Het is betaaldag geweest en niemand weet wat het geld volgende week nog waard zal zijn. Bovendien is de Conférence Nationale nog maar enkele dagen uitgesteld, dus nu zal het binnenkort toch wel echt beginnen.

Op de Boulevard du 30 Juin, de Champs Elisée van Afrika met brede rijbanen omzoomd door prestigieuze maar vaak slecht onderhouden gebouwen, staat een bioscoop die net opgeknapt moet zijn. De rode kleur van de gigantische reclameborden van Coca Cola is bijna verblindend. Is de bioscoop open? Een krantenjongen zegt van niet, maar hij weet wel wie de sleutel heeft. Is er dan iets te zien? Nee, zegt hij, het gebouw is helemaal leeg.

Een aantal kruispunten heeft stoplichten die zo waar werken. Er staan min of meer geüniformeerde politieagenten met karabijnen bij om het verkeer te controleren. Alleen zijn de regels nog al apart. Iedereen probeert zo hard mogelijk door rood te rijden, want de eerste die stopt hebben ze te pakken. Die krijgt een bekeuring. Wij hebben geen richting aangegeven, maar we moeten dan ook rechtdoor. Dan hadden we voor de streep moeten stoppen, maar die is er ook niet. Gelukkig is onze chauffeur, een ervaren expat die hier voor DAF-Leyland werkt, wel wat gewend. Hij biedt vijf procent van de vraagprijs. De agenten protesteren heftig: ze staan toch niet op de markt. Als onze gastheer aanbiedt om dan maar mee naar het bureau te gaan, draaien ze bij. Dan moeten ze alles delen met al hun kornuiten. En waarschijnlijk zijn het niet eens echte agenten en hebben ze alleen ergens een uniformjasje en een pet geleend. Als ze er alle drie nog een sigaret bij krijgen is het zo wel goed.

De Académie des Beaux Arts is enige tijd de meest gerenommeerde kunstacademie van zwart Afrika geweest. De docenten zijn het laatste jaar weggebleven, want ze werden niet meer uitbetaald. De meeste studio's zijn verlaten, maar sommige studenten komen nog. Artistiek werk wordt er niet meer gemaakt, alleen gemakkelijk verkoopbare kunstnijverheid en wat werk in opdracht voor rijke lui die zich in een plastiek willen laten vereeuwigen. Eén van de ex-studenten heeft een affiche voor de Conférence Nationale ontworpen. Door middel van een soort zeefdruktechniek heeft hij er vijfduizend weten te produceren. Hij wil ze ophangen in de stad, maar hij moet oppassen voor de politie. Die zullen zeker iedere keer als ze zien dat hij een affiche ophangt moeilijkheden maken en hij heeft geen geld om ze steeds om te kopen. Na de conferentie zal de politie ook beter functioneren, denkt hij. Politieagenten krijgen nauwelijks uitbetaald. Ze moeten iedereen wel afpersen, anders verhongert hun eigen familie.

Ik zit te eten op een terras van een oud hotel. Twee gewapende militairen komen het terras op en spreken me aan. Ze geven me een vriendelijke hand om vervolgens ter zake te komen. Ze vragen om geld. Ik vraag waarom. Omdat ze honger hebben en niets te eten. Omdat ik geen zin heb iets te geven, stamel ik in slecht Frans dat ik het niet begrijp en dat ik geen Frans spreek. De ene militair wrijft met de hand over zijn buik. De andere roept duidelijk articulerend in mijn oor dat hij honger heeft en geld wil. Achter zijn rug staat de ober druk te gebaren dat ik niets moet geven. Om iedereen tevreden te stellen geef ik een biljet van 500 Zaïres. De soldaten zijn er blij mee. De ober zegt later dat het deserteurs zijn.

Buiten Kinshasa zijn de wegen meer dan verschrikkelijk. Bij de ergste kuilen staan kinderen met een schop. Ze proberen de gaten met zand dicht te gooien. Wanneer een rijke blanke met zijn landrover passeert, is het de bedoeling dat hij een hand vol bankbiljetten uit het raam gooit bij wijze van betaling. Als hij gepasseerd is, wordt de kuil weer leeggeschept.

Na een uur of acht rijden met een Landrover over de piste (ongeveer 90 km) bereiken we Zongo Chutes, een zeer indrukwekkende waterval. Er is een restaurant met een heel uitgebreide kaart. Helaas is het antwoord van de ober bij alle gerechten hetzelfde: “Il n’y a pas, patron.” Dat hebben we vaker gehoord. Onderweg hebben we met zijn vijven ergens het laatste flesje cola gedeeld. Er is gelukkig wel kip, met meer smaak dan we van de legbatterijen gewend zijn, maar wel lekker. En volop bier. Zelfs de slaapplaatsen zijn prima. Bij ons vertrek krijgen we bij de rekening een grote kartonnen doos die we tot de rand toe vullen met papiergeld.

Op mijn laatste dag in Kinshasa zie ik dat langs de weg van de buitenwijk Ngaliema naar het centrum een bijzondere manifestatie wordt gehouden. Bij een groot landhuis met een enorme tuin is van alles te doen. Harde muziek, allerlei aanplakbiljetten en een grote toeloop van mensen. Als ik nieuwsgierig poolshoogte ga nemen, ontdek ik dat het om een evenement rond stripverhalen gaat: 'Le Premier Salon Africain de la Bande Dessinée et de la Lecture pour la Jeunesse'. Er doen ook Europese striptekenaars aan mee. In een fantastische tentoonstelling wordt de relatie tussen de Europese en de Afrikaanse strips toegelicht. Hoe blanken en zwarten elkaar tekenen. Welke invloed de culturen op elkaar hebben. Enzovoort enzovoort. Bovendien zijn een groot aantal originele tekeningen van Afrikaanse striptekenaars tentoongesteld. De meest bekende is Barly Baruti, de initiatiefnemer van deze manifestatie. Maar er zijn talloze anderen: stuk voor stuk fantastische tekenaars die soms ernstig, soms met een subtiele humor het Afrikaanse leven in beeld brengen. Het grote verschil met de Europese en Amerikaanse strips schuilt in het optimisme en de realiteitszin. Onze strips zijn opgeblazen fantasieverhalen vol gruwelijk cynisme. Afrikaanse strips zijn optimistisch en de verhalen liggen op straat.

Ik word rondgeleid door een aardige Zaïrese economiestudente. Althans dat studeerde ze tot begin dit jaar de universiteiten werden gesloten. Als ze hoort dat ik uit Nederland kom, vraagt ze of het nog steeds noodzakelijk is ons land met hoge dijken te beschermen tegen de zee. Ik leg uit dat dat altijd zal moeten, omdat Nederland nu eenmaal grotendeels onder de zeespiegel ligt. Ze verbaast zich erover, vooral omdat zoiets enorm veel geld moet kosten en dat het desondanks goed gaat met de Nederlandse economie. Ik zeg dat Nederland veel inkomsten heeft uit aardgas. Dat wist ze al. Ze vertelt dat Zaïre ook enorme bodemschatten heeft: olie, koper, tin, zink, diamanten en noem maar op. Bovendien is het land vruchtbaar. Werkelijk alles kan er groeien. Er is overal water genoeg. Eigenlijk is Zaïre een rijk land. Na de Conférence Nationale zal alles in orde komen. Ze is ervan overtuigd en ik help het haar hopen. Optimisme kan veel bewerkstelligen, maar ik vrees het ergste.

Huub van Dongen, 8 september 1991

1 opmerking:

curd zei

Het was me weer een genoegen dit verhaal te herlezen.

Gr,
CC