zaterdag 2 januari 2010

Niemands land

In mijn bloggerprofiel en mijn profiel op Facebook heb ik onder politieke voorkeur vermeld dat ik een links-liberaal lid van de PvdA ben. Veel ruimte tot precisering geeft zo’n profiel niet, maar laat ik het zo zeggen: ik vind dat de overheid zich met zo min mogelijk zaken moet bemoeien, dat in moreel opzicht alles mag wat een ander niet benadeelt en dat een fatsoenlijk land een vangnet moet hebben zodat mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen een comfortabel leven kunnen leiden en goed worden verzorgd. Wie duur wil doen, mag dat een ideologie noemen.

De laatste jaren ben ik steeds dieper teleurgesteld geraakt in de PvdA. Sinds Wim Kok met veel bombarie de ideologische veren van de partij heeft afgeschud, is de sociaaldemocratie gemangeld geraakt tussen Angelsaksisch neoliberalisme en Midden-Europese onderbuikfilosofieën. Althans: dat gevoel had ik, al kon ik het niet hard maken. Marcel van Dam geeft in zijn boek Niemands land de harde cijfers. In zijn Biografie van een ideaal, zoals de ondertitel luidt, toont hij aan dat in Nederland sinds de jaren tachtig de armen armer en de rijken rijker zijn geworden en dat de partij van de arbeid daar medeschuldig aan is. Dat iemand niet kan werken, wordt niet meer geaccepteerd: hij verdient een schop onder zijn hol, wordt verplicht te werk gesteld en wordt te pas en te onpas met keuringen en herkeuringen lastig gevallen. En of hij nog brood op de plank heeft, is de vraag, want de uitkeringen zijn sinds 1980 niet eens nominaal verhoogd. Sinds de koppeling tussen uitkeringen en minimumloon is losgelaten, zijn uitkeringsgerechtigden er steeds harder op achteruit gegaan. Een bijstandstrekker van nu heeft minder koopkracht dan hij in 1980 zou hebben gehad. Van Dam legt het allemaal uit en onderbouwt het met statistieken. Hij noemt de ontwikkeling terecht ‘een breuk in de beschaving’. Van meer humanisering en emancipatie zijn de onderste lagen uit onze samenleving in een armoedeval geraakt. Hij bewijst ook dat het helemaal niet nodig was geweest. Dat we geld zat hebben om een en ander wel netjes te regelen. En dat het een bewuste keuze was de maatschappij naar Amerikaans model te hervormen. We zijn er helemaal niets mee opgeschoten. Sterker nog: we hebben een ontevreden en asociaal land gecreëerd.

Van Dam oordeelt erg hard over de ontwikkelingen in de laatste drie decennia. Voor mij was het boek niet zo zeer een openbaring, als een bevestiging van wat ik al vermoedde. Ik twijfel al jaren of ik mijn lidmaatschap van de PvdA op moet zeggen, maar helaas is er geen enkele andere partij waar ik wel vertrouwen in stel. GroenLinks is me te groen en daarmee te eenzijdig. De SP is anti-Europees en D’66 te neoliberaal. Met rechts heb ik helemaal niets: de VVD bezigt veel fatsoenlijke standpunten (ik ben en blijf een groot liefhebber van paars), maar is zo radicaal voor marktwerking en concurrentie, ook op terreinen waar marktwerking en concurrentie volstrekt onvoldoende garantie bieden voor elementaire eerlijkheid, dat ik nooit op die partij zal kunnen stemmen. Klein rechts bestaat uit pleefiguren waar wijlen Pim Fortuyn nog keurig bij af zou hebben gestoken. En het CDA en de overige christelijke partijen stuiten mij met hun archaïsche moraal zo zeer tegen de borst dat ik ze niet serieus kan nemen. Voorlopig blijf ik dus maar lid van de PvdA, maar als Van Dam een partij opricht …

Overigens ben ik het lang niet in alle opzichten eens met Van Dam en zijn analyses. Reden te meer om lid te worden van zijn Nieuw Nieuw Links: een partij kan alleen tot bloei komen door debat en discussie. Aan leiderschap met dictatoriale trekjes hebben sociaaldemocraten geen behoefte.

Daarmee zou ik de bespreking van Van Dams boek af kunnen sluiten, ware het niet dat hij vorige week in de column in De Volkskrant reageerde op de kersttoespraak van Koningin Beatrix. Zowel met de kerstrede als van Dams column ben ik het hartgrondig oneens. In beide teksten wordt het internet, na enkele obligate plichtplegingen met de betrekking tot de zegeningen van de gemakkelijk toegankelijke wereldwijde informatie, aangewezen als bron van het kwaad. Van Dam schrijft “dat grenzen worden overschreden in de omgangsvormen en bij het schenden van privacy en waarheid.” Beatrix beweert zelfs: “De moderne technische mogelijkheden lijken mensen wel dichter bij elkaar te brengen maar ze blijven op 'veilige' afstand, schuilgaand achter hun schermen. Wij kunnen nu spreken zonder te voorschijn te komen, zonder zelf gezien te worden, anoniem. Domweg, grofweg emoties uiten is makkelijk geworden. Op spreken zonder respect wordt niemand meer afgerekend. Niet het vreemd zijn maakt de ander agressief maar agressiviteit maakt de ander tot vreemde.” Dit soort lariekoek vat ik bijna op als een persoonlijke belediging. Gelukkig is er het internet en kan ik ook zeggen wat ik er van vind. Misschien wordt het zelfs wel door iemand gelezen. Juist de mogelijkheid om mee te doen en een kakofonie van meningen te generen, hoort tot de zegeningen van internet. Zelfs het beledigen. Zelfs het schelden.

Van Dam en Beatrix hebben de televisie om hun zegje te doen. Naar dat medium kan ik schreeuwen en er desnoods een fles naar gooien, maar dan word ik niet gehoord, behalve door mijn vrouw die zegt dat ik me niet zo druk moet maken. Als er één medium is dat manipuleert is het de teevee. Melkert werd afgeserveerd toen Paul Witteman hem verweet dat hij zijn opponent Pim Fortuyn niet aankeek. Brutaler heeft een presentator in Nederland zich nooit gedragen. Melkert gaf op dat moment keurig antwoord op een vraag van Witteman zelf, maar die had de camera al achter Melkert op laten stellen om hem onderuit te kunnen halen. Gelukkig hebben we YouTube om het te kunnen bewijzen, al houdt dat medium het zelf op hautain gedrag van Melkert: zie in het onderstaande filmpje het fragment tussen 5.00 en 6.30 minuten.



Sindsdien wordt Melkert op televisie steevast omschreven als een regenteske bureaucraat. Dat zijn melkertbanen een zegening betekenden voor de maatschappij wordt gevoeglijk vergeten, hoe hard ik ook naar het beeldscherm brul. En dat is maar één voorbeeld. Iedere nuance wordt op televisie afgedaan als onbegrijpelijke besluiteloosheid. Iedere zachtaardigheid wordt voorgesteld als oorzaak van stinkende wonden. De laagste low-culture wordt de hemel in geprezen. En dat alles met een oceaan overheidssubsidie die zijn weerga niet kent. Geef mij maar Facebook, Twitter, Hyves, Blogger en al die andere fantastische uitvindingen. Dat zijn de hoeders van de democratie geworden, want dankzij die media kan iedereen zijn zegje doen.

Marcel van Dam
Niemandsland
Amsterdam 2009
ISBN 978 90 234 4208 0

Koningin Beatrix

Marcel van Dam

vrijdag 1 januari 2010

Turks Fruit

Op Nieuwjaarsdag zendt de televisie sinds jaar en dag het concert van het Wiener Philharmoniker uit. Ik verheug me altijd op het slot, want dan wordt de Radetzki-mars gespeeld en dan zing ik uit volle borst mee met de woorden van Olga’s vader uit Turks Fruit, het meesterwerk van Jan Wolkers: “Tieten kont, tieten kont, tieten kont, kont, kont.”

Vandaag pakte ik het boek weer eens uit de kast en het is nog beter dan ik me kon herinneren. Wat een vaart, wat een taal, wat een drama. Op de Universiteit van Amsterdam heb ik in de late jaren zeventig in een literatuurwerkgroep gezeten waarin we het boek laagje voor laagje fileerden. De vele vooruitverwijzingen naar Olga’s lot, de relatie met andere kunstuitingen, de jazz, of er autobiografische elementen inzitten … je kent dat wel. Maar wat hebben we het boek te kort gedaan. Het is gewoon één grote raaskallende tirade tegen de burgerlijkheid en een spetterende lofzang op de liefde. Heerlijk en nog altijd zeer origineel. Wordt dit boek nog op middelbare scholen gelezen? Het zou verplicht moeten worden.

In een ver verleden, toen mijn vrouw nog een jong meisje was, las ze het boek met rode oortjes. “Je leest het met een volkomen verkeerde belangstelling”, zei haar tante pinnerig. Nou, laat alle pubers het maar lezen, desnoods met de hand in de broek. Zo leren ze in elk geval wat literatuur is.

Jan Wolkers
Turks Fruit
Amsterdam 1969
ISBN: 90 290 7703 4

Het Einstein Meisje en de Engelse Ziekte

Een echt cadeau is een presentje dat je graag zou willen krijgen. Meestal geef ik boeken. Maar zelden boeken die ik al heb gelezen. Ik laat me verleiden door de titel, de cover of de flaptekst. Op die manier kreeg mijn vriendin met kerst Het Einstein Meisje. Ik heb het meteen gelezen.

Wat een titel! Op de cover staat een foto die met de hand lijkt ingekleurd: een jonge vrouw met een ballon, unter einer Laterne voor een antieke auto met op de achtergrond de Brandenburger Tor. “Schrijver Philip Sington heeft geschiedenis gestudeerd aan Trinity College in Cambridge (UK)”, meldt de flaptekst. En dat hij als journalist en redacteur werkte en lovende kritieken ontving voor zijn debuutroman Zoia’s Gold (2005). Zoiets is voor mij niet te weerstaan.

Het boek speelt in het interbellum tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog in Berlijn. Een jonge vrouw, die in ontredderde toestand in een bos even buiten Berlijn wordt gevonden, blijkt haar geheugen te hebben verloren. Ze weet niet wie ze is of waar ze vandaan komt. Er is geen enkele aanwijzing, of het moet een folder zijn, die vlak in de buurt wordt aangetroffen, over een lezing van Albert Einstein. In de pers wordt ze daarom 'het Einstein Meisje' genoemd.

Als ze enigszins is opgeknapt, ontfermt een psychiater zich over haar, die zelf worstelt met herinneringen aan zijn werk als oorlogschirurg achter de loopgraven. Hij probeert haar verleden te reconstrueren en dan ontspint zich een verhaal dat zijn weerga niet kent en waarin de schrijver moeiteloos door de tijd reist, van perspectief wisselt en op allerlei plaatsen tegelijk aanwezig is, maar dat nooit hinderlijk of geforceerd overkomt. Het lijkt wel een soort kwantummechanica, maar dan in de literatuur.

Eduard Einstein, de zoon van, die volgens het verhaal het boek heeft geschreven, zegt hierover:
Ik fantaseer graag dat Niels Bohr en zijn bondgenoten de waarde van mijn boek zouden inzien, maar ik weet zeker dat mijn vader het tot in de grond van zijn hart zou verafschuwen, Daarom wil ik je dringend adviseren het nooit aan hem te laten zien. Hij zou zijn aandeel in de vorming ervan ontkennen, net zoals hij zijn aandeel in mijn vorming ontkent (…). Hij zou niet aarzelen om dit het werk van een krankzinnige te noemen, omdat de hoofdpersonen – jij en ik en dokter Kirsch – op verschillende plaatsen tegelijk zijn, net als de kwanta die hij per se onder de duim wil krijgen.

Het boek is zo fantastisch geschreven dat ik het ook in het Engels wil lezen. Dan is meteen het enige ergernispuntje uit de vertaling opgelost: op de cover is de spelling ‘Het Einstein Meisje’ nog acceptabel, maar in de lopende tekst beneemt het me iedere keer de adem. Het is ‘Einstein-meisje’ in het Nederlands, of misschien zelfs wel ‘einsteinmeisje’, want we spellen immers ook ‘lorentzkracht’. Nu lijdt ze behalve aan geheugenverlies ook aan de Engelse Ziekte.

Het Einstein Meisje
Uitgeverij Luiting-Sijthof B.V., Amsterdam 2009
ISBN 978 90 218 0282 4

zaterdag 8 augustus 2009

Pastiche

Naar aanleiding van een interview in De Volkskrant van gisteren met bewerker Pietjan Dusee en regisseuse Yvonne van Beukering van de toneelversie van De Helaasheid der Dingen van Dimitri Verhulst heb ik me aan een pastiche gewaagd. Dusee zegt in het interview onder andere: “We wilden er op het toneel géén slemppartijen van maken. Geen stoere zuipverhalen”. En Beukering voegt er aan toe: “Dat zuipen is meer een mannending. Mij gaat het vooral om het effect dat zo’n opvoeding heeft op een kind.”

De Helaasheid der Dingen is met stip het boek waar ik de laatste jaren het meest om heb gelachen. Ik mocht het niet in bed lezen, omdat ik steeds zo lag te schuddebuiken dat mijn vrouw er niet van kon slapen. Het staat van de eerste tot de laatste bladzijde vol fantastische zuipverhalen. Daar lust ik wel pap van. Daarom liet ik op mijn theaterblog vandaag de emoties maar eens de vrije loop.

Puur voor de lol heb ik Verhulst al eens eerder gepersifleerd op het blog van het Nieuw Humoristisch Front, waar ik heel wat actiever ben dan op mijn literatuur- en theatersites. Misschien komt daar ooit nog verbering in, dus blijf a.u.b. dit blog bezoeken.

woensdag 27 mei 2009

Een nieuwe liefde

Dit blog wil maar niet op gang komen. Toen mijn vader enkele jaren geleden overleed, ontdekte ik dat hij van alle boeken die hij had gelezen, of in elk geval van heel veel boeken, aantekeningen had gemaakt. Vaak uitgebreide samenvattingen. Dat was dus zijn geheim. Hij wist bijna alles. En als hij het niet wist, liep hij naar de boekenkast en haalde er feilloos een boekwerk uit waarin het antwoord was te vinden.
Ik nam me voor voortaan ook zo te werk te gaan, maar er kwam niets van terecht. Toen ik een tijd later aan bloggen verknocht raakte, vatte ik het plan weer op. Het is immers doodzonde al die mooie literaire ervaringen te vergeten. Kunst is fantastisch, maar de herinnering is zo vergankelijk als het leven. Het is niet dat ik niet genoeg lees of niet genoeg van boeken houd. Het is een gebrek aan discipline.

Dat ik nu eindelijk weer iets op het blog plaats, komt door mijn nieuwe liefde: Julian Barnes. Zijn Flauberts papegaai had ik al jaren in huis. In tweevoud, ontdekte ik toen ik een nieuwe boekenkast in gebruik nam om weer een beetje op orde te komen. Het leek me niet zo veel bijzonders, maar ik nam het mee op vakantie en las het in één adem uit. Eindelijk weer een schrijver van Nabokoviaanse allure. Wat een mooie biografie! In ieder hoofdstuk staat een min of meer afgerond verhaal met een verrassende, maar uiterst subtiele ontknoping. Het is al weer een hele tijd geleden dat ik het las en ik maakte er geen verslag van en er verscheen niets op dit blog, maar ik wist zeker dat ik meer van die schrijver moest lezen. Dat vergat ik weer, tot ik Niets te vrezen, in de boekwinkel zag liggen.

Bijna alle boeken lees ik trouwens in één keer uit. Zelfs enorm dikke knuppels. Tenzij ik al na een paar bladzijden doorheb dat het weer een bundel stompzinnig gezwatel is natuurlijk. Maar als het me boeit, ben ik verkocht. Dan ben ik moeilijk aanspreekbaar en kom ik bijna nergens anders toe. Gelukkig lees ik nog al snel. Anders was de ramp niet te overzien. En gelukkig weet ik me tegenwoordig tamelijk goed in te houden. Ik begin er gewoon niet zo vaak meer aan, aan lezen. Want als de eerste slok eenmaal gesmaakt heeft, slaat de verslaving onverbiddelijk toe.

Bij Julian Barnes’ Niets te vrezen liep het allemaal heel anders. Ik heb er een paar maanden over gedaan. Dit boek over de dood, de vergankelijkheid en het al dan niet bestaan van god is opnieuw superieur geschreven, maar het onderwerp interesseert me geen bal. Over achterlijke concepten als een leven na de dood kan ik me alleen nog opwinden omdat er zo veel mensen in geloven. En toch pakte ik het boek steeds weer op als ik het zuchtend had weggelegd. Er staan zoveel fantastische observaties in, zulke mooie associaties, zoveel wetenswaardigheden. En dat allemaal zo heerlijk los-vast gerangschikt, van de hak op de tak, maar wel in één groot geheel van herinneringen, vermeende herinneringen, anekdotes, filosofieën en filosofeitjes dat ik na een paar dagen steeds weer nieuwsgierig werd hoe het verder zou gaan. Het leesproces rekte zich uit tot een eeuwigheid. Mijn desinteresse vocht mee in de strijd tegen de vergankelijkheid. En omdat ik dat graag wil onthouden, en de ervaring zelfs met u wil delen, vertrouw ik dit verslag toe aan dit al tijden dood gewaande blog.

Eén van de mooiste Nederlandse gedichten heb ik altijd De tuinman en de dood van P.N. van Eyck gevonden:

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!' -

Vanmiddag -lang reeds was hij heengespoed-
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'

Als hij het over de dood als grappenmaker heeft (“God zou dood kunnen zijn, terwijl de dood springlevend is”), komt Julian Barnes op de proppen met “een duizend jaar oud verhaal dat ik bij Somerset Maughan tegenkwam.” Het is het verhaal van het gedicht van Van Eyck, het speelt zich af in Bagdad, niet in een rooshof, maar gewoon op de markt, en de bediende vlucht op het paard van zijn meester naar Samarra. Stof genoeg voor een ijverige literatuurstudent om een mooi boek te schrijven, schreef ik in de kantlijn en ik vouwde een hoekje om van de betreffende bladzijde. Dat mag niet, ik weet het, maar zal het boek er echt veel eerder om vergaan?

Daar had ik het bij willen laten, in dit blogbericht, maar gemak dient de mens en ik had geen zin het gedicht over te typen. Google leverde een daverende verrassing op. Kijk zelf maar eens op de website van Frans Collignon en klik vervolgens op ‘mijn dood en ik’ en ‘De tuinman en de dood’. De concurrentie is hevig onder de tekstschrijvers.

Julian Barnes, Flauberts papegaai, Uitgeverij Arbeiderspers 1988, ISBN: 90 295 0138 8
Julian Barnes, Niets te vrezen, Uitgeverij Atlas 2008, ISBN: 978 90 450 0710 6

donderdag 21 augustus 2008

De stripverhalen van Kinshasa

Diederik Claassen houdt op dit moment een fantastisch blog bij over zijn avonturen in China tijdens de Olympische Spelen. In zijn laatste bericht verwijst hij naar mijn verhaal "De stripverhalen van Kinshasa" dat ik in 1991 kort na een reis naar Zaïre schreef voor het blad Amamre. Dat kan natuurlijk niemand meer nalezen, daarom publiceer ik het nu maar, in een iets uitgebreidere versie, op mijn zwaar verwaarloosde Boekenblog.

De Boeing taxiet over N'Djili airport. Naast een aantal tamelijk bouwvallige hangars staat een klein toestel op een reparatie te wachten. Op de vleugels groeit gras.

Toch lijkt Kinshasa in eerste instantie op een zeer bedrijvige wereldstad. Het is zo'n 25 kilometer van het vliegveld naar het centrum. In beide rijrichtingen weven drie rijen wrakkige roestbakken een dicht rookgordijn over het asfalt. Als er strepen op de weg stonden, kon je zeggen dat er constant van rijbaan werd gewisseld, maar er zijn geen strepen. In elk geval wordt er links en rechts ingehaald. In de meeste auto's zitten ongelofelijke aantallen mensen: 40 personen in een Volkswagenbusje is heel normaal. Een verbijsterende bezienswaardigheid is de City Train: een Daf-truck waaraan bij wijze van oplegger een soort treincoupé is gekoppeld van zo'n 30 meter lang, met daarachter vaak nog een aanhangwagen. Er moeten honderden mensen in zitten. Aan iedere deur hangen nog zo'n tien tot twintig passagiers. Het gevaarte scheurt met een snelheid van 80 à 90 kilometer per uur naar de stad. Ik laat me vertellen dat tot enkele maanden geleden het dak ook altijd vol mensen zat. Dat vond men echter te gevaarlijk en daarom wordt nu iedere morgen olie op het dak gespoten zodat het te glad is om erop te klimmen.

Aan beide kanten van de weg loopt een onafzienbare brede stroom mensen. Onvoorstelbare aantallen die doen denken aan een massademonstratie, maar het zijn er veel meer, de stroom mensen is veel langer en ze lopen niet allemaal dezelfde kant op. Tussen de mensenmassa's staan om de paar honderd meter brede betonnen trappen die op een hoogte van zo'n 10 meter eindigen in het niets: de ruïnes van ingestorte voetbruggen. Dagelijks rennen honderdduizenden mensen voor hun leven om de overkant te bereiken.

Kinshasa is een stad die bedacht lijkt door een team perverse striptekenaars. Niets functioneert normaal. Op ieder plaatje in mijn geheugen staan bizarre gebeurtenissen gegrift. Kinshasa is een stad vol deplorabele krotten op een vuilnisbelt annex autokerkhof waar volgens de schattingen vijf miljoen mensen wonen. De vrije handelseconomie heeft er een puinhoop gecreëerd die nooit meer op te ruimen is. De infrastructuur is volledig kapot. Alleen door een enorm sociale instelling kan de bevolking enigszins overleven.

'n Begrafenis: een familie van zo'n 100 personen op de laadklep van een open vrachtauto om de kist. De vrachtwagen krijgt een lekke band. Ergens wordt een reservewiel geritseld. Met vereende krachten wordt de vrachtauto opgetild. De kist wordt onder de as geschoven en zo wordt het wiel verwisseld.

Slechts één verhaal krijgt enige internationale aandacht: de Conférence Nationale. Al maandenlang is deze conferentie uitgesteld en getraineerd door allerlei belanghebbende machthebbers, maar nu lijkt het er van te komen. Meer dan duizend vertegenwoordigers van alle bevolkingsgroepen zullen in een langdurige conferentie proberen overeenstemming te bereiken over de toekomst van het land. Het einde van het regime Mobutu lijkt in zicht. De stad gonst van de geruchten. Er schijnen al demonstraties geweest te zijn waarin Mobutu symbolisch ten grave werd gedragen, maar niemand kan vertellen waar en wanneer en niemand heeft het met eigen ogen gezien. Het is de vraag of de kist ooit het kerkhof zal bereiken, maar een ding is zeker: er heerst optimisme in alle lagen van de bevolking van Kinshasa.

Op de Marché des Valeurs vlakbij het meer dan chaotische spoorwegstation wordt allerlei Afrikaanse kunst verkocht. Schilderijen, houtsnijwerk, schaakspelen van malachiet, bronzen beeldjes gegoten van overbodig geworden muntgeld. Uiteraard worden in eerste instantie woekerprijzen gevraagd en moet er fors worden gepingeld. Iedereen loopt met enorme pakken bankbiljetten rond. In 1989 had 1 Amerikaanse dollar een waarde van ongeveer 200 Zaïres. Begin augustus van dit jaar kreeg je 15.000 Zaïres voor een dollar en de inflatie stijgt met de dag. De vraagprijs voor een beetje schilderij is een miljoen, maar als de prijs uiteindelijk afgemaakt wordt op 300.000 is de verkoper dik tevreden en de koper waarschijnlijk afgezet. De markt wordt door ingezetenen niet voor niets de Marché des Voleurs genoemd. Ik tel veertig bankbiljetten van 5000 en honderd biljetten van 1000 af. Coupures van 10.000 en 50.000 zijn schaars en grotere zijn er niet. De kunstenaar vertelt dat het gauw afgelopen zal zijn met dit waardeloze geld. Na de Conférence Nationale zal er nieuw waardevast geld worden ingevoerd, want de inflatie wordt alleen veroorzaakt door de corruptie, meent hij.

Op het station proberen we al enkele dagen een kaartje te kopen voor de trein naar Matadi. Dat is al een aangepast plan. Eigenlijk wilden met z’n vijven een binnenlandse vlucht naar Bukavu aan de grens met Ruanda boeken om daar een poging te wagen berggorilla’s te zien. Dat bleek op het boekingskantoor niet te regelen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, werd ons verteld dat het vliegtuig al enkele dagen kwijt was. Maar ook de treinreis wordt geen succes. Ook de trein is al een paar dagen niet meer aangekomen, maar vandaag hebben we geluk. Er komt nu echt een trein en het station loopt in de kortste keren vol met duizenden mensen. We kunnen zelfs een kaartje kopen voor een extra luxe toeristenrijtuig. Als de trein binnenkomt en de ergste veldslagen op het perron enigszins zijn geluwd gaat een stationsbeambte ons voor. In tegenstelling tot de andere rijtuigen blijken er in ons rijtuig twee banken te zitten en een gat in de vloer bij wijze van toilet. We besluiten dan toch maar in Kinshasa te blijven.

In de volkskroegen in de Cité is het deze week iedere nacht feest. Er wordt uitbundig gedanst op de swingende klanken van de OK Jazz Band en andere Afrikaanse groepen. Het is betaaldag geweest en niemand weet wat het geld volgende week nog waard zal zijn. Bovendien is de Conférence Nationale nog maar enkele dagen uitgesteld, dus nu zal het binnenkort toch wel echt beginnen.

Op de Boulevard du 30 Juin, de Champs Elisée van Afrika met brede rijbanen omzoomd door prestigieuze maar vaak slecht onderhouden gebouwen, staat een bioscoop die net opgeknapt moet zijn. De rode kleur van de gigantische reclameborden van Coca Cola is bijna verblindend. Is de bioscoop open? Een krantenjongen zegt van niet, maar hij weet wel wie de sleutel heeft. Is er dan iets te zien? Nee, zegt hij, het gebouw is helemaal leeg.

Een aantal kruispunten heeft stoplichten die zo waar werken. Er staan min of meer geüniformeerde politieagenten met karabijnen bij om het verkeer te controleren. Alleen zijn de regels nog al apart. Iedereen probeert zo hard mogelijk door rood te rijden, want de eerste die stopt hebben ze te pakken. Die krijgt een bekeuring. Wij hebben geen richting aangegeven, maar we moeten dan ook rechtdoor. Dan hadden we voor de streep moeten stoppen, maar die is er ook niet. Gelukkig is onze chauffeur, een ervaren expat die hier voor DAF-Leyland werkt, wel wat gewend. Hij biedt vijf procent van de vraagprijs. De agenten protesteren heftig: ze staan toch niet op de markt. Als onze gastheer aanbiedt om dan maar mee naar het bureau te gaan, draaien ze bij. Dan moeten ze alles delen met al hun kornuiten. En waarschijnlijk zijn het niet eens echte agenten en hebben ze alleen ergens een uniformjasje en een pet geleend. Als ze er alle drie nog een sigaret bij krijgen is het zo wel goed.

De Académie des Beaux Arts is enige tijd de meest gerenommeerde kunstacademie van zwart Afrika geweest. De docenten zijn het laatste jaar weggebleven, want ze werden niet meer uitbetaald. De meeste studio's zijn verlaten, maar sommige studenten komen nog. Artistiek werk wordt er niet meer gemaakt, alleen gemakkelijk verkoopbare kunstnijverheid en wat werk in opdracht voor rijke lui die zich in een plastiek willen laten vereeuwigen. Eén van de ex-studenten heeft een affiche voor de Conférence Nationale ontworpen. Door middel van een soort zeefdruktechniek heeft hij er vijfduizend weten te produceren. Hij wil ze ophangen in de stad, maar hij moet oppassen voor de politie. Die zullen zeker iedere keer als ze zien dat hij een affiche ophangt moeilijkheden maken en hij heeft geen geld om ze steeds om te kopen. Na de conferentie zal de politie ook beter functioneren, denkt hij. Politieagenten krijgen nauwelijks uitbetaald. Ze moeten iedereen wel afpersen, anders verhongert hun eigen familie.

Ik zit te eten op een terras van een oud hotel. Twee gewapende militairen komen het terras op en spreken me aan. Ze geven me een vriendelijke hand om vervolgens ter zake te komen. Ze vragen om geld. Ik vraag waarom. Omdat ze honger hebben en niets te eten. Omdat ik geen zin heb iets te geven, stamel ik in slecht Frans dat ik het niet begrijp en dat ik geen Frans spreek. De ene militair wrijft met de hand over zijn buik. De andere roept duidelijk articulerend in mijn oor dat hij honger heeft en geld wil. Achter zijn rug staat de ober druk te gebaren dat ik niets moet geven. Om iedereen tevreden te stellen geef ik een biljet van 500 Zaïres. De soldaten zijn er blij mee. De ober zegt later dat het deserteurs zijn.

Buiten Kinshasa zijn de wegen meer dan verschrikkelijk. Bij de ergste kuilen staan kinderen met een schop. Ze proberen de gaten met zand dicht te gooien. Wanneer een rijke blanke met zijn landrover passeert, is het de bedoeling dat hij een hand vol bankbiljetten uit het raam gooit bij wijze van betaling. Als hij gepasseerd is, wordt de kuil weer leeggeschept.

Na een uur of acht rijden met een Landrover over de piste (ongeveer 90 km) bereiken we Zongo Chutes, een zeer indrukwekkende waterval. Er is een restaurant met een heel uitgebreide kaart. Helaas is het antwoord van de ober bij alle gerechten hetzelfde: “Il n’y a pas, patron.” Dat hebben we vaker gehoord. Onderweg hebben we met zijn vijven ergens het laatste flesje cola gedeeld. Er is gelukkig wel kip, met meer smaak dan we van de legbatterijen gewend zijn, maar wel lekker. En volop bier. Zelfs de slaapplaatsen zijn prima. Bij ons vertrek krijgen we bij de rekening een grote kartonnen doos die we tot de rand toe vullen met papiergeld.

Op mijn laatste dag in Kinshasa zie ik dat langs de weg van de buitenwijk Ngaliema naar het centrum een bijzondere manifestatie wordt gehouden. Bij een groot landhuis met een enorme tuin is van alles te doen. Harde muziek, allerlei aanplakbiljetten en een grote toeloop van mensen. Als ik nieuwsgierig poolshoogte ga nemen, ontdek ik dat het om een evenement rond stripverhalen gaat: 'Le Premier Salon Africain de la Bande Dessinée et de la Lecture pour la Jeunesse'. Er doen ook Europese striptekenaars aan mee. In een fantastische tentoonstelling wordt de relatie tussen de Europese en de Afrikaanse strips toegelicht. Hoe blanken en zwarten elkaar tekenen. Welke invloed de culturen op elkaar hebben. Enzovoort enzovoort. Bovendien zijn een groot aantal originele tekeningen van Afrikaanse striptekenaars tentoongesteld. De meest bekende is Barly Baruti, de initiatiefnemer van deze manifestatie. Maar er zijn talloze anderen: stuk voor stuk fantastische tekenaars die soms ernstig, soms met een subtiele humor het Afrikaanse leven in beeld brengen. Het grote verschil met de Europese en Amerikaanse strips schuilt in het optimisme en de realiteitszin. Onze strips zijn opgeblazen fantasieverhalen vol gruwelijk cynisme. Afrikaanse strips zijn optimistisch en de verhalen liggen op straat.

Ik word rondgeleid door een aardige Zaïrese economiestudente. Althans dat studeerde ze tot begin dit jaar de universiteiten werden gesloten. Als ze hoort dat ik uit Nederland kom, vraagt ze of het nog steeds noodzakelijk is ons land met hoge dijken te beschermen tegen de zee. Ik leg uit dat dat altijd zal moeten, omdat Nederland nu eenmaal grotendeels onder de zeespiegel ligt. Ze verbaast zich erover, vooral omdat zoiets enorm veel geld moet kosten en dat het desondanks goed gaat met de Nederlandse economie. Ik zeg dat Nederland veel inkomsten heeft uit aardgas. Dat wist ze al. Ze vertelt dat Zaïre ook enorme bodemschatten heeft: olie, koper, tin, zink, diamanten en noem maar op. Bovendien is het land vruchtbaar. Werkelijk alles kan er groeien. Er is overal water genoeg. Eigenlijk is Zaïre een rijk land. Na de Conférence Nationale zal alles in orde komen. Ze is ervan overtuigd en ik help het haar hopen. Optimisme kan veel bewerkstelligen, maar ik vrees het ergste.

Huub van Dongen, 8 september 1991

donderdag 28 februari 2008

Schrikkeldicht



Zonder verbeelding geen tuin is een bundel met 365 gedichten, voor iedere dag één, samengesteld door Paul Geerts. Alleen 29 februari werd weer eens vergeten. Een omissie die om aanvulling schreeuwt.

Schrikkeldicht

Eén keer in de vier jaar duurt de winter een dag langer.
Dat heeft Julius Caesar indertijd verordonneerd.
Haast niemand is hem dankbaar en dat is erg jammer.
Want sindsdien loopt het al met al behorelijk gesmeerd.

Eén keer in de vier jaar duurt de winter een dag langer.
Iedereen en alles doet daar zonder erg aan mee.
Zelfs de zon blijft zo’n jaar als een suffe winterganger
Gewoon een dagje langer aan de Middellandse Zee.

Eén keer in de vier jaar duurt de winter een dag langer.
Bomen lopen in zo’n jaar ook één dag later uit.
De knoppen blijven simpelweg een etmaal langer zwanger
En iedere vrouw die stelt gewoon haar maandstond even uit.

Eén keer in de vier jaar duurt de winter een dag langer.
Die brug sloeg Julius Caesar naar de goden en de zon.
Dankzij de eerste keizer en kosmische roerganger
Blijf je één keer in de vier jaar één dag langer jong.

Hoe oud zou je niet wezen zonder Caesar’s wijs besluit?
Versleten en gebroken en compleet de fut eruit.
Eert daarom deze pontifex, waar het schrikkelen mee begon,
Die zelfs qua veroudering kwam, zag en overwon.

Huub van Dongen, 29 februari 2004

Voor meer informatie over Julius Caesar en de schrikkeldag verwijs ik graag naar Het Nieuw Humoristisch Front.