vrijdag 29 januari 2010

Phony

De kleedlokalen klam en broeierig: de lucht van mannenzweet;
Zelfs rijk betaalde voetbalclubs gaan af en toe failliet, en weet
Dat in de honkbalsport men soms een douche niet kan betalen.
Er was er één voor beide teams, hoe moest ik ademhalen
waar lichaam tegen lichaam plakt en ik, ik was zo blij,
Want daar stond zelfs die goddelijke catcher in de rij.

Vanochtend las ik op Facebook, op het prikbord van Gijs van Osch, dat J.D. Salinger op 91-jarige leeftijd was overleden. Hij valt voor mij een beetje onder de categorie 'leefde die nog', maar ik herinner me dat ik heel, heel lang geleden erg van The Catcher in the Rye heb genoten. De titel verwijst naar een scabreus gedichtje van Robert Burns. Ik kon het niet laten een eigen 'phony' versie te maken.

Coming Through The Rye

by Robert Burns

O, Jenny's a' weet, poor body,
Jenny's seldom dry:
She draigl't a' her petticoatie,
Comin thro' the rye!

Coming thro' the rye, poor body,
Coming thro' the rye,
She draiglet a' her petticoatie
Coming thro' the rye.

Gin a body meet a body
Coming thro' the rye,
Gin a body kiss a body -
Need a body cry?

Gin a body meet a body
Coming thro' the glen, 
Gin a body kiss a body -
Need the warld ken?

Gin a body meet a body
Comin thro' the grain;
Gin a body kiss a body,
The thing's a body's ain.

zondag 3 januari 2010

De schaakspeelster

Bertina Henrichs klinkt erg Nederlands. Ik weet verder niets van haar, maar haar La Joueuse d’Échecs is vertaald door een zekere Truus Boot. De Nederlandse titel is De Schaakspeelster. Ik moet u eerlijk zeggen dat de combinatie schrijfster, vertaalster en vrouwelijke hoofdpersoon bij mij weinig vertrouwen wekt als het over schaken moet gaan: ik kan me moeilijk aan het vooroordeel onttrekken dat vrouwen niets van ons spel begrijpen, maar gelukkig is de novelle de zoveelste falsificatie van die warhoofdige natuurwet.

De Schaakspeelster speelt op Naxos, één van de mooiste Cycladen-eilanden. Hoofdpersoon Eleni is 42 jaar oud, is getrouwd, heeft twee kinderen en werkt als kamermeisje in een hotel in Chora. Ze leeft in een heel klein geordend wereldje. Behalve de tv bieden alleen de hotelgasten een venster op de wereld buiten het eiland.

Op zekere dag treft ze in de hotelkamer van een chique Frans echtpaar een schaakspel aan. Er staat nog een stelling op het bord, die door de schrijfster ten onrechte een ‘afgebroken partij’ wordt genoemd; dat is een vakterm die in dit stadium van het verhaal absoluut niet past. Eleni stoot per ongeluk een pion van het bord en weet niet meer waar ze die terug moet zetten. Dat is het begin van een onstuimige fascinatie voor het schaakspel. Nu ze het spel eenmaal heeft gezien, wil ze niets liever dan het leren spelen, een beetje zoals Tim Krabbé, toen hij als kind twee jongens zag zitten schaken, dacht dat hij zijn leven lang niets anders meer zou willen doen. Voor een jongen uit intellectuele kringen is zo’n lot gemakkelijker te dragen dan voor een eilandbewoonster van middelbare leeftijd. Haar leven bestaat uit de sleur van alle dag, versterkt door tradities en het heilige moeten van sociale verplichtingen. Ze leeft zoals het hoort en zelfs iets onschuldigs als het kopen van een schaakspel en het leren van de spelregels is een ongehoorde breuk met de norm. Dat ze toch doorzet is een avontuur. Het verhaal krijgt hierdoor een sprookjesachtige charme. Dat zulke kleinigheidjes zulke grote problemen kunnen oproepen die met zoveel moeite moeten worden overwonnen, is heel lief beschreven. Het schaken wordt daardoor een symbool voor de zucht naar vrijheid van denken en doen. Uiteraard mag iedereen denken wat hij wil en alles doen wat een ander niet benadeeld, maar kom daar maar eens om in onze bekrompen wereld.

Bertina Henrichs heeft een prachtige ode aan de menselijke geest geschreven. Het is voor schakers heerlijk om de fascinatie en verslaving aan het spel zo liefdevol beschreven te zien. Het is alleen jammer dat de schrijfster of de vertaalster - want ik sluit niet uit dat vooral die laatste er soms flink naast grijpt - naar mate Eleni in het schaakspel vordert, door wanbegrip door de mand valt. Een partij eindigt in pat als er duidelijk remise moet staan, wat me een zuivere vertaalfout lijkt. Voorts wordt er een ‘amateurtoernooi’ gespeeld, terwijl schaken nu juist de enige sport is waar nooit of te nimmer onderscheid tussen amateurs en professionals is gemaakt. Bovendien wordt dat toernooi klaarblijkelijk volgens de knockoutformule gespeeld, net zoals een tennistoernooi. Met zulke fratsen is wel ooit geëxperimenteerd, maar zulke toernooien zijn uiterst zeldzaam en hebben noodzakelijkerwijs ingewikkelde reglementen; er moeten bijvoorbeeld altijd twee partijen tegen dezelfde tegenstander gespeeld worden, één met wit en één met zwart, en bij 1-1 dient een barrage te volgen met snelschaakpotjes of iets dergelijks. Maar daarvan is in het boek natuurlijk geen sprake.

Ik vind het altijd erg leuk om een boek af te kraken. Het geeft voldoening als een ander er ook niets van kan en mopperen is bovendien soms zo lollig. De kritiek op De Schaakspeelster blijft echter steken in schakersgekniesoor. Het klopt niet overal met de schakerswerkelijkheid, maar het verhaal is een prachtig sprookje, het boek een meesterwerkje. En als u vakantie gaat, moet u het beslist meenemen. Ideaal voor een zonnige middag op het strand of een verregende middag in de pub.

Bertina Henrichs
De Schaakspeelster
De Geus BV, Breda 2006
ISBN 978 90 445 0822 2

zaterdag 2 januari 2010

Niemands land

In mijn bloggerprofiel en mijn profiel op Facebook heb ik onder politieke voorkeur vermeld dat ik een links-liberaal lid van de PvdA ben. Veel ruimte tot precisering geeft zo’n profiel niet, maar laat ik het zo zeggen: ik vind dat de overheid zich met zo min mogelijk zaken moet bemoeien, dat in moreel opzicht alles mag wat een ander niet benadeelt en dat een fatsoenlijk land een vangnet moet hebben zodat mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen een comfortabel leven kunnen leiden en goed worden verzorgd. Wie duur wil doen, mag dat een ideologie noemen.

De laatste jaren ben ik steeds dieper teleurgesteld geraakt in de PvdA. Sinds Wim Kok met veel bombarie de ideologische veren van de partij heeft afgeschud, is de sociaaldemocratie gemangeld geraakt tussen Angelsaksisch neoliberalisme en Midden-Europese onderbuikfilosofieën. Althans: dat gevoel had ik, al kon ik het niet hard maken. Marcel van Dam geeft in zijn boek Niemands land de harde cijfers. In zijn Biografie van een ideaal, zoals de ondertitel luidt, toont hij aan dat in Nederland sinds de jaren tachtig de armen armer en de rijken rijker zijn geworden en dat de partij van de arbeid daar medeschuldig aan is. Dat iemand niet kan werken, wordt niet meer geaccepteerd: hij verdient een schop onder zijn hol, wordt verplicht te werk gesteld en wordt te pas en te onpas met keuringen en herkeuringen lastig gevallen. En of hij nog brood op de plank heeft, is de vraag, want de uitkeringen zijn sinds 1980 niet eens nominaal verhoogd. Sinds de koppeling tussen uitkeringen en minimumloon is losgelaten, zijn uitkeringsgerechtigden er steeds harder op achteruit gegaan. Een bijstandstrekker van nu heeft minder koopkracht dan hij in 1980 zou hebben gehad. Van Dam legt het allemaal uit en onderbouwt het met statistieken. Hij noemt de ontwikkeling terecht ‘een breuk in de beschaving’. Van meer humanisering en emancipatie zijn de onderste lagen uit onze samenleving in een armoedeval geraakt. Hij bewijst ook dat het helemaal niet nodig was geweest. Dat we geld zat hebben om een en ander wel netjes te regelen. En dat het een bewuste keuze was de maatschappij naar Amerikaans model te hervormen. We zijn er helemaal niets mee opgeschoten. Sterker nog: we hebben een ontevreden en asociaal land gecreëerd.

Van Dam oordeelt erg hard over de ontwikkelingen in de laatste drie decennia. Voor mij was het boek niet zo zeer een openbaring, als een bevestiging van wat ik al vermoedde. Ik twijfel al jaren of ik mijn lidmaatschap van de PvdA op moet zeggen, maar helaas is er geen enkele andere partij waar ik wel vertrouwen in stel. GroenLinks is me te groen en daarmee te eenzijdig. De SP is anti-Europees en D’66 te neoliberaal. Met rechts heb ik helemaal niets: de VVD bezigt veel fatsoenlijke standpunten (ik ben en blijf een groot liefhebber van paars), maar is zo radicaal voor marktwerking en concurrentie, ook op terreinen waar marktwerking en concurrentie volstrekt onvoldoende garantie bieden voor elementaire eerlijkheid, dat ik nooit op die partij zal kunnen stemmen. Klein rechts bestaat uit pleefiguren waar wijlen Pim Fortuyn nog keurig bij af zou hebben gestoken. En het CDA en de overige christelijke partijen stuiten mij met hun archaïsche moraal zo zeer tegen de borst dat ik ze niet serieus kan nemen. Voorlopig blijf ik dus maar lid van de PvdA, maar als Van Dam een partij opricht …

Overigens ben ik het lang niet in alle opzichten eens met Van Dam en zijn analyses. Reden te meer om lid te worden van zijn Nieuw Nieuw Links: een partij kan alleen tot bloei komen door debat en discussie. Aan leiderschap met dictatoriale trekjes hebben sociaaldemocraten geen behoefte.

Daarmee zou ik de bespreking van Van Dams boek af kunnen sluiten, ware het niet dat hij vorige week in de column in De Volkskrant reageerde op de kersttoespraak van Koningin Beatrix. Zowel met de kerstrede als van Dams column ben ik het hartgrondig oneens. In beide teksten wordt het internet, na enkele obligate plichtplegingen met de betrekking tot de zegeningen van de gemakkelijk toegankelijke wereldwijde informatie, aangewezen als bron van het kwaad. Van Dam schrijft “dat grenzen worden overschreden in de omgangsvormen en bij het schenden van privacy en waarheid.” Beatrix beweert zelfs: “De moderne technische mogelijkheden lijken mensen wel dichter bij elkaar te brengen maar ze blijven op 'veilige' afstand, schuilgaand achter hun schermen. Wij kunnen nu spreken zonder te voorschijn te komen, zonder zelf gezien te worden, anoniem. Domweg, grofweg emoties uiten is makkelijk geworden. Op spreken zonder respect wordt niemand meer afgerekend. Niet het vreemd zijn maakt de ander agressief maar agressiviteit maakt de ander tot vreemde.” Dit soort lariekoek vat ik bijna op als een persoonlijke belediging. Gelukkig is er het internet en kan ik ook zeggen wat ik er van vind. Misschien wordt het zelfs wel door iemand gelezen. Juist de mogelijkheid om mee te doen en een kakofonie van meningen te generen, hoort tot de zegeningen van internet. Zelfs het beledigen. Zelfs het schelden.

Van Dam en Beatrix hebben de televisie om hun zegje te doen. Naar dat medium kan ik schreeuwen en er desnoods een fles naar gooien, maar dan word ik niet gehoord, behalve door mijn vrouw die zegt dat ik me niet zo druk moet maken. Als er één medium is dat manipuleert is het de teevee. Melkert werd afgeserveerd toen Paul Witteman hem verweet dat hij zijn opponent Pim Fortuyn niet aankeek. Brutaler heeft een presentator in Nederland zich nooit gedragen. Melkert gaf op dat moment keurig antwoord op een vraag van Witteman zelf, maar die had de camera al achter Melkert op laten stellen om hem onderuit te kunnen halen. Gelukkig hebben we YouTube om het te kunnen bewijzen, al houdt dat medium het zelf op hautain gedrag van Melkert: zie in het onderstaande filmpje het fragment tussen 5.00 en 6.30 minuten.



Sindsdien wordt Melkert op televisie steevast omschreven als een regenteske bureaucraat. Dat zijn melkertbanen een zegening betekenden voor de maatschappij wordt gevoeglijk vergeten, hoe hard ik ook naar het beeldscherm brul. En dat is maar één voorbeeld. Iedere nuance wordt op televisie afgedaan als onbegrijpelijke besluiteloosheid. Iedere zachtaardigheid wordt voorgesteld als oorzaak van stinkende wonden. De laagste low-culture wordt de hemel in geprezen. En dat alles met een oceaan overheidssubsidie die zijn weerga niet kent. Geef mij maar Facebook, Twitter, Hyves, Blogger en al die andere fantastische uitvindingen. Dat zijn de hoeders van de democratie geworden, want dankzij die media kan iedereen zijn zegje doen.

Marcel van Dam
Niemandsland
Amsterdam 2009
ISBN 978 90 234 4208 0

Koningin Beatrix

Marcel van Dam

vrijdag 1 januari 2010

Turks Fruit

Op Nieuwjaarsdag zendt de televisie sinds jaar en dag het concert van het Wiener Philharmoniker uit. Ik verheug me altijd op het slot, want dan wordt de Radetzki-mars gespeeld en dan zing ik uit volle borst mee met de woorden van Olga’s vader uit Turks Fruit, het meesterwerk van Jan Wolkers: “Tieten kont, tieten kont, tieten kont, kont, kont.”

Vandaag pakte ik het boek weer eens uit de kast en het is nog beter dan ik me kon herinneren. Wat een vaart, wat een taal, wat een drama. Op de Universiteit van Amsterdam heb ik in de late jaren zeventig in een literatuurwerkgroep gezeten waarin we het boek laagje voor laagje fileerden. De vele vooruitverwijzingen naar Olga’s lot, de relatie met andere kunstuitingen, de jazz, of er autobiografische elementen inzitten … je kent dat wel. Maar wat hebben we het boek te kort gedaan. Het is gewoon één grote raaskallende tirade tegen de burgerlijkheid en een spetterende lofzang op de liefde. Heerlijk en nog altijd zeer origineel. Wordt dit boek nog op middelbare scholen gelezen? Het zou verplicht moeten worden.

In een ver verleden, toen mijn vrouw nog een jong meisje was, las ze het boek met rode oortjes. “Je leest het met een volkomen verkeerde belangstelling”, zei haar tante pinnerig. Nou, laat alle pubers het maar lezen, desnoods met de hand in de broek. Zo leren ze in elk geval wat literatuur is.

Jan Wolkers
Turks Fruit
Amsterdam 1969
ISBN: 90 290 7703 4

Het Einstein Meisje en de Engelse Ziekte

Een echt cadeau is een presentje dat je graag zou willen krijgen. Meestal geef ik boeken. Maar zelden boeken die ik al heb gelezen. Ik laat me verleiden door de titel, de cover of de flaptekst. Op die manier kreeg mijn vriendin met kerst Het Einstein Meisje. Ik heb het meteen gelezen.

Wat een titel! Op de cover staat een foto die met de hand lijkt ingekleurd: een jonge vrouw met een ballon, unter einer Laterne voor een antieke auto met op de achtergrond de Brandenburger Tor. “Schrijver Philip Sington heeft geschiedenis gestudeerd aan Trinity College in Cambridge (UK)”, meldt de flaptekst. En dat hij als journalist en redacteur werkte en lovende kritieken ontving voor zijn debuutroman Zoia’s Gold (2005). Zoiets is voor mij niet te weerstaan.

Het boek speelt in het interbellum tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog in Berlijn. Een jonge vrouw, die in ontredderde toestand in een bos even buiten Berlijn wordt gevonden, blijkt haar geheugen te hebben verloren. Ze weet niet wie ze is of waar ze vandaan komt. Er is geen enkele aanwijzing, of het moet een folder zijn, die vlak in de buurt wordt aangetroffen, over een lezing van Albert Einstein. In de pers wordt ze daarom 'het Einstein Meisje' genoemd.

Als ze enigszins is opgeknapt, ontfermt een psychiater zich over haar, die zelf worstelt met herinneringen aan zijn werk als oorlogschirurg achter de loopgraven. Hij probeert haar verleden te reconstrueren en dan ontspint zich een verhaal dat zijn weerga niet kent en waarin de schrijver moeiteloos door de tijd reist, van perspectief wisselt en op allerlei plaatsen tegelijk aanwezig is, maar dat nooit hinderlijk of geforceerd overkomt. Het lijkt wel een soort kwantummechanica, maar dan in de literatuur.

Eduard Einstein, de zoon van, die volgens het verhaal het boek heeft geschreven, zegt hierover:
Ik fantaseer graag dat Niels Bohr en zijn bondgenoten de waarde van mijn boek zouden inzien, maar ik weet zeker dat mijn vader het tot in de grond van zijn hart zou verafschuwen, Daarom wil ik je dringend adviseren het nooit aan hem te laten zien. Hij zou zijn aandeel in de vorming ervan ontkennen, net zoals hij zijn aandeel in mijn vorming ontkent (…). Hij zou niet aarzelen om dit het werk van een krankzinnige te noemen, omdat de hoofdpersonen – jij en ik en dokter Kirsch – op verschillende plaatsen tegelijk zijn, net als de kwanta die hij per se onder de duim wil krijgen.

Het boek is zo fantastisch geschreven dat ik het ook in het Engels wil lezen. Dan is meteen het enige ergernispuntje uit de vertaling opgelost: op de cover is de spelling ‘Het Einstein Meisje’ nog acceptabel, maar in de lopende tekst beneemt het me iedere keer de adem. Het is ‘Einstein-meisje’ in het Nederlands, of misschien zelfs wel ‘einsteinmeisje’, want we spellen immers ook ‘lorentzkracht’. Nu lijdt ze behalve aan geheugenverlies ook aan de Engelse Ziekte.

Het Einstein Meisje
Uitgeverij Luiting-Sijthof B.V., Amsterdam 2009
ISBN 978 90 218 0282 4

zaterdag 8 augustus 2009

Pastiche

Naar aanleiding van een interview in De Volkskrant van gisteren met bewerker Pietjan Dusee en regisseuse Yvonne van Beukering van de toneelversie van De Helaasheid der Dingen van Dimitri Verhulst heb ik me aan een pastiche gewaagd. Dusee zegt in het interview onder andere: “We wilden er op het toneel géén slemppartijen van maken. Geen stoere zuipverhalen”. En Beukering voegt er aan toe: “Dat zuipen is meer een mannending. Mij gaat het vooral om het effect dat zo’n opvoeding heeft op een kind.”

De Helaasheid der Dingen is met stip het boek waar ik de laatste jaren het meest om heb gelachen. Ik mocht het niet in bed lezen, omdat ik steeds zo lag te schuddebuiken dat mijn vrouw er niet van kon slapen. Het staat van de eerste tot de laatste bladzijde vol fantastische zuipverhalen. Daar lust ik wel pap van. Daarom liet ik op mijn theaterblog vandaag de emoties maar eens de vrije loop.

Puur voor de lol heb ik Verhulst al eens eerder gepersifleerd op het blog van het Nieuw Humoristisch Front, waar ik heel wat actiever ben dan op mijn literatuur- en theatersites. Misschien komt daar ooit nog verbering in, dus blijf a.u.b. dit blog bezoeken.

woensdag 27 mei 2009

Een nieuwe liefde

Dit blog wil maar niet op gang komen. Toen mijn vader enkele jaren geleden overleed, ontdekte ik dat hij van alle boeken die hij had gelezen, of in elk geval van heel veel boeken, aantekeningen had gemaakt. Vaak uitgebreide samenvattingen. Dat was dus zijn geheim. Hij wist bijna alles. En als hij het niet wist, liep hij naar de boekenkast en haalde er feilloos een boekwerk uit waarin het antwoord was te vinden.
Ik nam me voor voortaan ook zo te werk te gaan, maar er kwam niets van terecht. Toen ik een tijd later aan bloggen verknocht raakte, vatte ik het plan weer op. Het is immers doodzonde al die mooie literaire ervaringen te vergeten. Kunst is fantastisch, maar de herinnering is zo vergankelijk als het leven. Het is niet dat ik niet genoeg lees of niet genoeg van boeken houd. Het is een gebrek aan discipline.

Dat ik nu eindelijk weer iets op het blog plaats, komt door mijn nieuwe liefde: Julian Barnes. Zijn Flauberts papegaai had ik al jaren in huis. In tweevoud, ontdekte ik toen ik een nieuwe boekenkast in gebruik nam om weer een beetje op orde te komen. Het leek me niet zo veel bijzonders, maar ik nam het mee op vakantie en las het in één adem uit. Eindelijk weer een schrijver van Nabokoviaanse allure. Wat een mooie biografie! In ieder hoofdstuk staat een min of meer afgerond verhaal met een verrassende, maar uiterst subtiele ontknoping. Het is al weer een hele tijd geleden dat ik het las en ik maakte er geen verslag van en er verscheen niets op dit blog, maar ik wist zeker dat ik meer van die schrijver moest lezen. Dat vergat ik weer, tot ik Niets te vrezen, in de boekwinkel zag liggen.

Bijna alle boeken lees ik trouwens in één keer uit. Zelfs enorm dikke knuppels. Tenzij ik al na een paar bladzijden doorheb dat het weer een bundel stompzinnig gezwatel is natuurlijk. Maar als het me boeit, ben ik verkocht. Dan ben ik moeilijk aanspreekbaar en kom ik bijna nergens anders toe. Gelukkig lees ik nog al snel. Anders was de ramp niet te overzien. En gelukkig weet ik me tegenwoordig tamelijk goed in te houden. Ik begin er gewoon niet zo vaak meer aan, aan lezen. Want als de eerste slok eenmaal gesmaakt heeft, slaat de verslaving onverbiddelijk toe.

Bij Julian Barnes’ Niets te vrezen liep het allemaal heel anders. Ik heb er een paar maanden over gedaan. Dit boek over de dood, de vergankelijkheid en het al dan niet bestaan van god is opnieuw superieur geschreven, maar het onderwerp interesseert me geen bal. Over achterlijke concepten als een leven na de dood kan ik me alleen nog opwinden omdat er zo veel mensen in geloven. En toch pakte ik het boek steeds weer op als ik het zuchtend had weggelegd. Er staan zoveel fantastische observaties in, zulke mooie associaties, zoveel wetenswaardigheden. En dat allemaal zo heerlijk los-vast gerangschikt, van de hak op de tak, maar wel in één groot geheel van herinneringen, vermeende herinneringen, anekdotes, filosofieën en filosofeitjes dat ik na een paar dagen steeds weer nieuwsgierig werd hoe het verder zou gaan. Het leesproces rekte zich uit tot een eeuwigheid. Mijn desinteresse vocht mee in de strijd tegen de vergankelijkheid. En omdat ik dat graag wil onthouden, en de ervaring zelfs met u wil delen, vertrouw ik dit verslag toe aan dit al tijden dood gewaande blog.

Eén van de mooiste Nederlandse gedichten heb ik altijd De tuinman en de dood van P.N. van Eyck gevonden:

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!' -

Vanmiddag -lang reeds was hij heengespoed-
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'

Als hij het over de dood als grappenmaker heeft (“God zou dood kunnen zijn, terwijl de dood springlevend is”), komt Julian Barnes op de proppen met “een duizend jaar oud verhaal dat ik bij Somerset Maughan tegenkwam.” Het is het verhaal van het gedicht van Van Eyck, het speelt zich af in Bagdad, niet in een rooshof, maar gewoon op de markt, en de bediende vlucht op het paard van zijn meester naar Samarra. Stof genoeg voor een ijverige literatuurstudent om een mooi boek te schrijven, schreef ik in de kantlijn en ik vouwde een hoekje om van de betreffende bladzijde. Dat mag niet, ik weet het, maar zal het boek er echt veel eerder om vergaan?

Daar had ik het bij willen laten, in dit blogbericht, maar gemak dient de mens en ik had geen zin het gedicht over te typen. Google leverde een daverende verrassing op. Kijk zelf maar eens op de website van Frans Collignon en klik vervolgens op ‘mijn dood en ik’ en ‘De tuinman en de dood’. De concurrentie is hevig onder de tekstschrijvers.

Julian Barnes, Flauberts papegaai, Uitgeverij Arbeiderspers 1988, ISBN: 90 295 0138 8
Julian Barnes, Niets te vrezen, Uitgeverij Atlas 2008, ISBN: 978 90 450 0710 6